nieuws

 

Controverse en polarisatie in de klas: nood aan grenzen en grondregels

Begin september komt het boek ‘Omgaan met controverse en polarisatie in de klas’ van het Vlaams Vredesinstituut uit. Het is de vrucht van onderzoekswerk gevoerd door deze onafhankelijke instelling voor vredesonderzoek bij het Vlaams Parlement. Net als de Vlaamse Vredesweek is het boek een reactie op controverse en polarisatie in de samenleving, en dan specifiek in de context van de klas. Hoog tijd voor een gesprek met Vredesinstituut-directeur Tine Destrooper en onderzoeker Maarten Van Alstein. 

Kan je vertellen hoe het boek tot stand is gekomen?

Tine Destrooper: Het Vlaams Vredesinstituut werkt rond twee pijlers: ‘geweld en conflict in de samenleving’ en ‘wapens en wapengebruik’. Binnen die eerste pijler zijn er historisch twee onderzoekslijnen uitgezet, de lijn van vredesopvoeding en die van herinneringseducatie. Vredesopvoeding is niet evident, want hoe leer je vrede? Het is zinvol om te kijken naar een meer praktische vraag: hoe leer je bijvoorbeeld omgaan met geweld en conflicten in een klascontext? En dat is ook een vraag die leerkrachten zich stellen. De nood om hier inzichten in te verkrijgen is groot, maar er is weinig materiaal voorhanden. In die zin is het boek het resultaat van een vraaggestuurd proces. We hebben daarom onze expertise vertaald naar deze doelgroep, die nieuw is voor ons.

Kunnen leerkrachten het boek dan zien als een handleiding?

Tine Destrooper: Het is geen handleiding als dusdaning. De uitdaging van omgaan met controverse en polarisatie in de klas is niet iets waarbij je heel directief te werk kan gaan. Het gaat eerder over vaardigheden. Al is de doelstelling van het boek natuurlijk wel dat het heel bruikbaar en ingebed in de praktijk is. We vertalen een theoretische denkkader naar de concrete Vlaamse klascontext. Hiermee reiken we leerkrachten concepten aan die ze kunnen gebruiken om zelf kritisch te reflecteren. Ze kunnen ermee aan de slag om het eigen gedrag te bepalen en te evalueren. In het boek zoomen we eerst theoretisch uit om vervolgens heel concreet te worden.

Je spreekt over concepten. Over welke concepten gaat het dan? Aan welk theoretisch kader is het boek opgehangen?

Maarten Van Alstein: In de eerste plaats controverse en polarisatie. Het is voor velen niet duidelijk wat deze termen beteken. Zeker polarisatie hoor je vaak, maar het is in het praktijkveld niet altijd duidelijk wat de effecten daar dan precies van zijn. In het boek willen we de concepten duiden, zodat leerkrachten ze kunnen identificeren en hun acties bepalen.

Alles wordt samengebonden door één groot concept: dat van de politieke klas. De klas waar er ruimte is voor discussie, dialoog, uitwisseling van thema’s die ook in de samenleving aanwezig zijn. Dat kunnen vaak erg gevoelige thema’s zijn.

En die kunnen op hun beurt soms tot controverse en polarisatie leiden… En daar moet dan op ingespeeld worden?

Maarten: Ja, precies. We schuiven in het boek drie scenario’s naar voor waarmee leerkrachten geconfronteerd kunnen worden. Daaraan koppelen we geen handleiding, maar wat wij noemen handelingsschema’s of inspiratieschema’s. Die helpen de leerkrachten evalueren hoe ze in een dergelijke situatie kunnen ageren. Het eerste scenario behandelt een klas die echt op stelten staat. Scenario twee gaat over situaties waarin de leerkracht vanuit haar of zijn leerplan les moet geven over thema’s die gevoelig kunnen liggen. Over de evolutietheorie bijvoorbeeld, iets waarover wetenschappelijk consensus bestaat maar dat toch weerstand kan oproepen. In een derde scenario probeert de leerkracht controversiële onderwerpen bespreekbaar proberen te maken op een ogenblik dat de klas nog niet verhit is.

Als we even dieper ingaan op de rol van de leerkracht: Het lijkt me allesbehalve evident om gepast op al deze scenario’s te reageren, het vereist heel wat vaardigheden. Wat moet er gebeuren om leerkrachten te ‘wapenen’ om om te gaan met controverse en polarisatie in de klas?

Tine Destrooper: Het bereiken van onderwijsprofessionals en specifiek de lerarenopleiding is een fundamenteel opzet van het boek. Leraren hebben al heel wat op hun bord, daarom is het erg belangrijk dat er vanaf het begin in de opleiding gedegen aandacht is voor gespreks- en vraagtechnieken. Dat zijn essentiële vaardigheden voor een open klasklimaat.

Maarten Van Alstein: Het is belangrijk dat leraren goede open vragen kunnen stellen om het gesprek op gang te brengen en dat ze hun eigen positie in het gesprek kennen. We willen ook inzetten op vorming en navorming. Hierbij moet het open klasklimaat steeds centraal staan: de klas waar leerlingen het gevoel hebben dat ze vrij kunnen spreken over welk onderwerp dan ook.

Wat is de rol van de leerlingen in dit verhaal? Een gekwalificeerde leerkracht kan dan wel voor een open klasklimaat zorgen, maar wat op de speelplaats bijvoorbeeld? Moet er ook niet geïnvesteerd worden in vaardigheden bij de leerlingen zelf?

Maarten Van Alstein: Als leerkrachten actief inzetten op gespreks- en vraagtechnieken, op werkvormen om over controversiële onderwerpen te leren praten en niet enkel op het eerste scenario, waar de klas op stelten staat, zal deze attitude ook voor de leerlingen een gewoonte worden. Ze zullen leren praten met elkaar, meningen vormen en – ook heel belangrijk – naar elkaar luisteren. De leerlingen zullen leren dat je van mening kan verschillen, maar ook ontdekken wat het verbindend kader is en waar de grenzen liggen. Door dit in de klas te doen, zullen ze sterker zijn om dit toe te passen in een maatschappij die vol spanningen en tegenstelligen zit, wetende dat van mening verschillen er nu eenmaal bijhoort in een democratische samenleving.

Controverse en polarisatie maken deel uit van de politieke klas, van een open klasklimaat. Maar hoe kan je de grenzen definiëren? Wanneer is er sprake van een constructieve discussie en wanneer moet je als leerkracht ingrijpen omdat het anders uit de hand loopt? Is die grens soms niet erg dun?

Maarten Van Alstein: Dat is de cruciale vraag waar het boek een antwoord op probeert geven. Want als je controverse goed aanpakt, kan dat een bijdrage leveren aan het open klasklimaat. Polarisatie daarentegen, daar moet je tegen optreden. Concreet kan je het in een gesprek hebben over ‘wij en zij’, verschillende groepen in de samenleving en hoe die zich ten opzichte van elkaar verhouden. Er kan een discussie ontstaan die er heftig aan toe gaat, waarbij leerlingen fel uit de hoek komen. Maar als ze naar elkaar luisteren en in gesprek gaan, blijft de controverse constructief.

Maar als het wij tegen zij wordt, zit je in een ander gesprek. Dan is er sprake van problematische polarisatie. Bij polarisatie is er een monoloog en volgt de groep, oftewel splitst die en komen er twee groepen tegenover elkaar te staan die niet langer naar elkaar luisteren.

Tine Destrooper: Het is essentieel is om een omgeving te creëren waarin veilige discussie mogelijk is. Dat is iets dat we ook iedere keer naar voor schuiven. Het is noodzakelijk om duidelijke grenzen af te bakenen en grondregels af te spreken. Daar moet een consensus over zijn. En die kan je in een klas wellicht makkelijker afspreken dan in de samenleving.  

Maar een klascontext is ook geen hermetisch afgesloten gegeven. Is er geen spanningsveld tussen de open klas, met duidelijk afgesproken grenzen en grondregels, en de invloeden van buitenaf, van thuis, van sociale media? Hoe kan je als leerkracht met dit spanningsveld omgaan?

Tine Destrooper: Uiteraard zijn er invloeden van buitenaf. De controverse komt juist de klas binnen omdat leerlingen allemaal een eigen achtergrond hebben. Ze groeien op in een hyper- en superdiverse samenleving. Als je in het complete vacuüm van de klas zou zitten, zou er erg weinig controverse zijn.

Maarten Van Alstein: Het is belangrijk om niet alleen te kijken naar de leerkracht in de klas maar naar de school in zijn bredere omgeving. Als het van één leerkracht moet afhangen om met controverse en polarisatie om te gaan, dan werkt het niet. Dat blijkt ook uit onderzoek. Vredeseducatieve projecten werken beter als ze passen binnen een breder pedagogisch project en zijn ingebed in een schoolklimaat dat dergelijke projecten stimuleert.

De thematiek van de Vlaamse Vredesweek is ‘Iedereen Thuis’. We schuiven dit naar voor als verbindend kader dat polarisatie overstijgt. Want iedereen heeft de nood aan een plek waar hij of zij veilig is en zichzelf kan zijn. Is er link met de klascontext, met het boek?

Maarten Van Alstein: Wat je kan doen bij polarisatie is wat politiek filosoof Bart Brandsma ook duidelijk maakt in zijn theorie van polarisatiemanagement: veranderen van onderwerp. Dan kan je op zoek gaan naar wat iedereen verbindt. De rode draad van ons boek is dat het inderdaad belangrijk is om polarisatie tegen te gaan en te ontmijnen, maar dat leraren op andere momenten proberen om de ruimte voor discussie in de klas zo open mogelijk te houden. In een pedagogische context mag je het gesprek met een leerling niet te snel afsluiten, want dan bestaat het risico dat je de leerling ook wegduwt. Het is dan ook een grote uitdaging voor leerkrachten om te leren inschatten: is hier nog een open gesprek mogelijk of doe ik nu meer kwaad dan goed? Dat is een belangrijke boodschap van het boek. Als leerkracht moet je zoveel mogelijk het gesprek proberen aan te gaan in een veilige context. Enkel als je echt het gevoel hebt dat het schadelijk wordt, pas je best de technieken van polarisatiemanagement toe.

Om verder te antwoorden op de vraag: ‘Iedereen Thuis’ is een sterk en krachtig idee voor een klascontext. Dat moet uiteindelijk ook de bedoeling zijn. Eén van de basiskenmerken van een open klasklimaat is dat alle leerlingen vanuit hun eigen achtergrond het gevoel hebben dat ze kunnen bijdragen en hun mening en gedachtegoed naar voor kunnen brengen in een pedagogisch veilige ruimte. De klas moet een plek zijn waar iedereen zich thuis voelt, waar ruimte is voor discussie binnen een duidelijk kader met vooraf bepaalde grenzen.

Dit interview komt uit het campagnedossier van de Vredesweek. Download of bestel het hier!

 

partners